Arp Schnitger-orgel Der Aa-kerk Groningen

Voorgaande instrumenten in de Der Aa-kerk

Het eerste bewijs dat er in de Der Aa-kerk een orgel aanwezig was, is een archiefstuk uit 1475 waarin sprake is van een nieuw altaar ‘onder de orgele’. In 1558 werd een contract opgesteld waarin ‘mester Andreas oerghelmaker’ [Andreas de Mare] een orgel zou vernieuwen. In 1654 kreeg Theodorus Faber opdracht om een nieuw instrument te maken. Hij had in 1651 een orgel gemaakt voor de kerk van Zeerijp, wat voor de Groninger kerkvoogden en stadsbestuurders – na een bezoek aldaar – aanleiding was hem de opdracht voor de Der Aa-kerk te verlenen. Toen Faber in 1659 overleed, was het orgel nog niet voltooid. Het stadsbestuur zag om naar Tobias Bader, maar dit leidde tot niets. Daarop werd Andries de Mäer (Andreas de Mare II) aangezocht, maar deze maakte zich door zijn gedrag onmogelijk en werd uit de stad verbannen. Uiteindelijk werd het orgel voltooid door de meest toonaangevende Hollandse orgelmaker van die tijd, Jacobus Galtus van Hagerbeer uit Amsterdam, die bij het instrument diverse (dispositie)wijzigingen doorvoerde. Toen het werd opgeleverd in 1667, stond er een zestienvoets orgel van 40 stemmen, verdeeld over drie manualen en pedaal.  Vier jaar later ging dit orgel verloren in de nacht van 1 mei 1671 toen de door blikseminslag in brand geraakte toren door het kerkdak en gewelf viel. In 1674 was de kerk hersteld en kwam er in 1675 een nieuwe toren.

 

Het eerste Schnitger-orgel

 

In 1697 voltooide Arp Schnitger (1648-1719) een zestienvoets orgel van 40 stemmen, verdeeld over vier (of wellicht drie ) manualen en pedaal. Het Borstwerk van zes stemmen had Schnitger geleverd boven het bestek.  De door de kistenmaker Allert Meijer gemaakte ontwerptekening bleef bewaard. In de provincies Groningen en Friesland was dit het enige Schnitger-orgel waar het groot octaaf bij alle werken volledig was uitgebouwd. Ook dit instrument – het grootste door Arp Schnitger voor ons land gemaakte orgel – was geen lang leven beschoren. Want dertien jaar na de ingebruikneming stortte de slecht herbouwde toren ‘by zagt en klaar weer’ in en verwoestte daarbij het trotse instrument. De komende 115 jaar zou er in de Der Aa-kerk geen begeleidingsorgel meer klinken. In 1815 werd het Schnitger-orgel, in 1702 gemaakt voor de naburige Academie- of Broerkerk, naar de Der Aa-kerk overgeplaatst.

 

Het tweede Schnitger-orgel

In 1699 kreeg Schnitger opdracht voor de Academiekerk een nieuw orgel te maken met twee manualen en pedaal. In 1701 evenwel werd met de orgelmaker overlegd om het in aanbouw zijnde instrument uit te breiden ‘met noch een Clavijr en eenige stemmen’, wat resulteerde in een orgel van 33 registers (naar Knock 1788):

 

 

Manuaal                   Rug Positief                 Borstwerk                 Pedaal           

 

Praestant 16 vt           Praestant 8 vt            Gedakt 8 vt                Praestant 8 vt

 

Octaaf 8 vt                 Quintadeen 16 vt        Fluit 4 vt                   Bourdon 16 vt

 

Holpyp 8 vt                Gedakt 8 vt                Octaaf 2 vt                 Octaaf 4 vt

 

Octaaf 4 vt                 Octaaf 4 vt                 Quint 1½ vt                Mixtuur 4-5 st 

 

Quint 3 vt                  Fluit 4 vt                    Sexquialter                Bazuin 16 vt

 

Octaaf 2 vt                 Fluit 2 vt                    Scherp                      Trompet 8 vt

 

Mixtuur 4-6 st             Quint 1 ½                                                   Trompet 4 vt

 

Trompet 8 vt              Sexquialter                                                 Cornet 2 vt

 

Vox Humana 8 vt         Scherp                       Koppel HW-BW

 

                                Dulciaan 8 vt               2 tremulanten             6 spaanbalgen

 

Zoals bij meer Groningse Schnitger-orgels het geval, werd de orgelkast vervaardigd door Allert Meijer en alle houtsnijwerk door Jan de Rijk. In 1702 werd het instrument opgeleverd.

Bij de bouw had Schnitger gebruik gemaakt van pijpwerk (ca. tien stemmen) uit het vorige orgel dat van 1674 tot ca. 1678 was gemaakt door Hendrick Harmens van Loon en de eerder genoemde Andries de Mäer. Van Loon was organist van de Der Aa-kerk.  

In 1754 werkte Albertus Anthoni Hinsz aan het Academiekerkorgel, waarbij naast schoonmaak en reparatie er een koppeling werd gemaakt tussen Rugpositief en Hoofdwerk; in 1784 was opnieuw schoonmaak en reparatie nodig en moest een aantal tongen van de Pedaaltongwerken worden vernieuwd. Er kwam tevens een houten beschot achter het snijwerk van de Borstwerkdeuren, ter demping van het geluid.

 

Timpe

Op 23 september 1814 werd het orgel bij decreet van Koning Willem I geschonken aan de Der Aa-kerk. (De Academiekerk werd in 1821 toegewezen aan de katholieken en in 1894 afgebroken voor (kerk)nieuwbouw.) In 1815 werd het orgel overgeplaatst door Johannes Wilhelmus Timpe (1770-1837). De gedekte registers werden, op de Quintadena 16 vt (RP) na, van nieuwe hoeden voorzien. De dispositie bleef vooralsnog ongewijzigd, maar de orgelkast niet: de afstand tussen Rugpositief en hoofdkast werd enkele decimeters verkleind, waardoor de ‘speelruimte’ sindsdien minder comfortabel is. De breedte van de onder- en bovenkast werd aan elkaar gelijk gemaakt. Atlantfiguren zouden in het vervolg de zijtorens schragen. De bekroning van Rugpositief en hoofdkast werd vervangen door in verhouding hoog opgaand beeldwerk en vazen om het orgel meer grandeur te geven tegen de rijzige westwand. Alle snij- en beeldwerk werd uitgevoerd door Matteus Walles en zijn zoon Anthonie.

 

In 1831 verving Timpe het Borstwerk door een Bovenwerk dat dwars achter de middentoren werd gesitueerd. Om hiervoor voldoende stevigheid te verkrijgen, werd boven het dakbeschot tussen midden- en zijtorens een balkenlaag aangelegd, waardoor het orgel er sindsdien visueel een lage ‘zolderverdieping’ bij heeft gekregen. De Vox Humana 8 vt verhuisde van het Hoofdwerk naar het nieuwe Bovenwerk. Op de nu open plaats kwam de Dulciaan 8 vt van het Rugpositief; op dit werk kwam een nieuwe Trompet 8 vt. De Sexquialter (RP) werd een Flageolet 1 vt (die in 1857 plaats zou maken voor de Dulciaan die toen op het Rugpositief terugkwam). De Quint 1 1/3 vt (RP) werd een Terts 1 3/5 vt, waarvoor gedeeltelijk pijpwerk van vóór Schnitger werd gebruikt. Het pedaalklavier werd vernieuwd en er kwam een koppeling Pedaal-Rugpositief; een tremulant werd verwijderd. Waarschijnlijk is het orgel daarna omgestemd naar een gelijkzwevende temperatuur.

 

Van Oeckelen

In 1855 werd het orgel van de naburige Martinikerk door Petrus van Oeckelen (1792-1878) omgebouwd. Het Der Aa-kerkorgel kon niet achterblijven en werd in 1857 door dezelfde orgelmaker aangepast aan de ‘eischen des tijds’. Het Hoofdwerk kreeg een uitbreiding van negen naar dertien stemmen op twee nieuwe windladen die zo groot waren dat de achterwand van de hoofdkast moest komen te vervallen. Bij de bestaande Hoofdwerkstemmen werd voor Cis, Dis, Fis en Gis nieuw aanvullend pijpwerk gemaakt. Het Pedaal werd uitgebreid met een Subbas 16 vt, Quint 10 2/3 vt en een Violon 8 vt welke een plaats kregen op tweede extra laden in de onderkast. Op de cancel van Cis en Dis kwam tevens nieuw aanvullend pijpwerk voor de op de Schnitger-pedaalladen mankerende Cis en Dis, uitgezonderd die van de Bazuin, omdat daarvoor niet genoeg hoogte was. De Mixtuur van het Pedaal werd verwijderd, inclusief mechaniek. De manualen werden vernieuwd, de registerknoppen werden eveneens nieuw gemaakt naar die (uit 1855) van de Martinikerk. De balgen werden in de toren ondergebracht.

Latere wijzigingen

Meerdere keren voerde Jan Doornbos reparaties uit Zo werden in 1920 de spaanbalgen vervangen door een magazijnbalg, terwijl in1924 om het Bovenwerk een zwelkast aangebracht werd. Bij die gelegenheid werd tevens de Fluit travers 8 vt (BW) vervangen door een Voix celeste 8 vt (op pneumatische kegelladen).

In 1928 veranderde Klaas Doornbos de Violon 8 vt (Ped) in een Holpijp 8 vt. In deze tijd werd de Cornet 2 vt (Ped) verwijderd. In 1935 werd de Bazuin 16 vt vernieuwd; vanwege de grote bekers moest deze worden geplaatst op een pneumatische kegellade tegen de westmuur. In 1939 werd de Quint 6 vt (HW) uit 1857 vervangen door een Nasard 2 2/3 vt en de samenstelling van de Hoofdwerkmixtuur gewijzigd. In 1946 werd op het Bovenwerk een Quintfluit 1 1/3 vt geplaatst die later tot Flageolet 1 vt werd opgeschoven. In 1952 werd de Terts 1 3/5 vt (RP) opgeschoven tot Sifflet 1 1/3 vt, waarbij een aantal discantpijpen werd vernieuwd. Een reeks pijpen uit de Scherp (RP) werd eveneens vernieuwd; de oude kregen een plaats in de Octaaf 4 vt van het Bovenwerk. In 1953 wijzigde de firma Flentrop de mensuur van de Bazuinbekers uit 1935.

In 1977 werd het orgel tijdens de kerkrestauratie deels gedemonteerd en daarna ingekist. In 1989/1990 maakte Orgelmakerij Gebr. Reil b.v. uit Heerde het instrument weer bespeelbaar, waarbij sommige onderdelen werden gerepareerd. Alle pneumatiek werd verwijderd. De Bazuin kreeg (alvast) op de oorspronkelijke plaats nieuwe stevels, koppen, kelen en tongen. In 1997 werd nagenoeg het gehele binnenwerk gedemonteerd in afwachting van een restauratie die zou worden uitgevoerd door Reil. 

 

Restauratie

In 1992 vroeg de Stichting Der Aa-kerk – sinds 1987 eigenaar van het kerkgebouw – orgeladviseur Rudi van Straten een restauratieplan op te stellen. Dit plan werd in 1995 herzien en in 1997 – nadat het instrument was gedemonteerd en overgebracht naar het bedrijf van Reil – gevolgd door een Wijzigingsvoorstel. De eventuele uitvoering hiervan was vergunningplichtig. Er kwamen bezwaarschriften tegen dit plan en enkele partijen tekenden beroep aan. Drie bezwaarschriften werden ontvankelijk verklaard. Het belangrijkste bezwaar was de invulling van het herstel van de constructie van de hoofdkast. TNO-Bouw te Delft maakte vervolgens een rapport over de constructieve staat van het orgel, terzijde gestaan door drie experts. Uiteindelijk werd in februari 2004 een begeleidingscommissie ingesteld waarin alle partijen waren vertegenwoordigd. Namens de Stichting der Aa-kerk had Peter van Dijk uit Utrecht hierin eveneens zitting. Hij was aangezocht om adviseur bij het restauratieproject te zijn.

Uitgangspunt was de restauratie van het orgel in de situatie van het moment van demontage eind 1996, maar uiteraard wel met extra constructie voor de in 1857 veranderde achterkant van de hoofdkast. De in 1990 weggenomen bas van de Bourdon 16 vt (HW) zou tevens worden herplaatst. Bij de in augustus 2011 afgesloten werkzaamheden werden nieuwe Bazuinbekers in Schnitgermensuur gemaakt. Bij de Scherp (RP) werd het qua mensuur niet passende 1-voetskoor (1952) van a1 - c3 vervangen; bij de Sifflet gebeurde dat om dezelfde reden met het pijpwerk van g2- c3. Er kwam een nieuwe opliggende tremulant in Timpe-stijl voor het Bovenwerk. De zwelkast om dit werk en de bediening ervan werden weggenomen. Er kwam een nieuwe orgelbank naar Timpe.

Op vrijdag 14 oktober 2011 werd het orgel feestelijk in gebruik genomen.

 

Dirk Molenaar

 

Voor een meer gedetailleerde geschiedenis van het orgel: zie www.schnitgersdroom.nl